Fiscale actualiteiten in het onderwijs: wat speelt er?

De fiscale wetgeving voor onderwijsinstellingen is volop in ontwikkeling. De belastingwetgeving is de afgelopen jaren op enkele plaatsen ingrijpend gewijzigd en de verwachting is dat de komende jaren meer ingrijpende wijzigingen plaats gaan vinden. Zo is op Prinsjesdag het wetsvoorstel Modernisering vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen ingediend. In dit wetsvoorstel zijn belangrijke bepalingen opgenomen ten aanzien van onderwijsinstellingen. Naast deze ontwikkeling gaan wij in deze bijdrage in op een tweetal andere fiscale ontwikkelingen die van belang zijn voor onderwijsinstellingen.

De fiscale wetgeving voor onderwijsinstellingen is volop in ontwikkeling. De belastingwetgeving is de afgelopen jaren op enkele plaatsen ingrijpend gewijzigd en de verwachting is dat de komende jaren meer ingrijpende wijzigingen plaats gaan vinden. Zo is op Prinsjesdag het wetsvoorstel Modernisering vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen ingediend. In dit wetsvoorstel zijn belangrijke bepalingen opgenomen ten aanzien van onderwijsinstellingen. Naast deze ontwikkeling gaan wij in deze bijdrage in op een tweetal andere fiscale ontwikkelingen die van belang zijn voor onderwijsinstellingen.

Vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen

Per 1 januari 2016 moet de vennootschapsbelastingplicht (hierna: VPB-plicht) van overheidsbedrijven een feit zijn. Het wetsvoorstel beoogt een gelijk speelveld op het gebied van VPB te creëren tussen private ondernemingen en daarmee concurrerende overheidsondernemingen. In dit wetsvoorstel is onder voorwaarden ook een vrijstelling opgenomen voor onderwijsinstellingen. Wat staat u de komende tijd te wachten?

Het huidige systeem

Veel onderwijsinstellingen houden zich momenteel nog niet bezig met de gevolgen voor de vennootschapsbelasting. De vraag is of dit terecht is. Primaire onderwijsactiviteiten zullen veelal niet in de huidige heffing van vennootschapsbelasting worden betrokken omdat zij niet kwalificeren als het drijven van een materiële onderneming, een beroep doen op het subsidiebesluit dan wel individuele afspraken hebben gemaakt met de Belastingdienst. Daarnaast is feitelijk sprake van een ‘gedoogsituatie’. Momenteel is nog geen wettelijke grondslag aanwezig. Als onderwijsinstellingen activiteiten verrichten die niet kwalificeren als onderwijsactiviteiten of nauw met het onderwijs samenhangende werkzaamheden, zoals de verhuur van onroerend goed, is echter een potentieel VPB-risico aanwezig. 

Impact wetsvoorstel modernisering VPB-plicht voor onderwijsinstellingen
Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen worden per 1 januari 2016 in beginsel belastingplichtig voor de VPB voor zover zij een onderneming drijven. Hiervoor zijn diverse criteria van belang,  zoals gesteld eisen aan de organisatie, deelname aan het economisch verkeer, het beogen van winst en het in concurrentie treden met de profitsector. Het is voor een onderwijsinstelling van groot belang na te gaan of zij met haar activiteiten een materiële onderneming drijft. Daarnaast geeft het wetsvoorstel algemene en specifieke vrijstellingen voor activiteiten die geen VPB-plicht met zich meebrengen. 

Vrijstelling voor bekostigd onderwijs en onderzoek

Op grond van het wetsvoorstel kunnen onderwijsinstellingen kunnen onder omstandigheden een beroep doen op de vrijstelling voor bekostigd onderwijs en onderzoek. De gehele winst van een onderwijsinstelling is namelijk vrijgesteld (subjectvrijstelling) als:

Ten minste 90% van de activiteiten bestaat uit onderzoeks- en onderwijsactiviteiten; en
De onderzoeks- en onderwijsactiviteiten voor ten minste 70% worden bekostigd uit publieke middelen, collegegeld, lesgeld, buitenlandse bijdragen of iets soortgelijks.

Indien minder dan 90% van de activiteiten onderzoek- en/of onderzoek gerelateerd is, kan voor die activiteiten een beroep worden gedaan op de vrijstelling (objectvrijstelling), indien deze activiteiten voor ten minste 70% worden bekostigd zoals omschreven in de tweede voorwaarde

Of een onderwijsinstelling een beroep kan doen op de vrijstelling, hangt af van uw specifieke situatie. Hiervoor is het van groot belang na te gaan welke activiteiten, naast het primair verzorgen van het reguliere onderwijs, uw onderwijsinstelling verricht. Wij adviseren u goed op de hoogte te blijven van deze recente ontwikkelingen en de fiscale gevolgen tijdig in kaart te brengen om nare verrassingen te voorkomen. De gevolgen kunnen immers groot zijn. 

Btw-vrijstelling passend onderwijs

Op 1 augustus 2014 is de Wet Passend Onderwijs ingevoerd. In dat kader dienen scholen te gaan samenwerken in een samenwerkingsverband Passend Onderwijs. Het uitgangspunt binnen de btw is dat de werkzaamheden die over een weer plaatsvinden tussen een samenwerkingsverband en de daarin deelnemende scholen zijn belast met btw. De staatssecretarissen van Financiën en OCW hebben echter besloten dat tot 1 augustus 2016 de btw-vrijstelling Passend Onderwijs van toepassing is.

Wanneer geldt de btw-vrijstelling Passend Onderwijs?

De btw-vrijstelling Passend Onderwijs geldt voor werkzaamheden tussen het samenwerkingsverband Passend Onderwijs en de deelnemende scholen verricht als uitvloeisel van het ondersteuningsplan zoals omschreven in de Wet primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs. Het ondersteuningsplan is een document waarin het samenwerkingsverband afspraken vastlegt over de wijze waarop zorgleerlingen worden opgevangen. De btw-vrijstelling geldt bijvoorbeeld voor het ter beschikking stellen van personeel (detacheren), indien deze terbeschikkingstelling een voortvloeisel vormt van het ondersteuningsplan. Deze maatregel geldt overigens niet voor het ter beschikking stellen van personeel in het verleden, waarover reeds btw is betaald. 

De btw-vrijstelling is slechts van toepassing op instellingen die deel uitmaken van een samenwerkingsverband Passend Onderwijs. Dit betekent dat de btw-vrijstelling niet geldt voor cluster 1- en 2-instellingen, waarin onderwijs wordt verzorgd aan visueel gehandicapte en dove of slechthorende kinderen, en mbo-instellingen. Voor dergelijke instellingen kan mogelijk wel de onderwijsvrijstelling van toepassing zijn.

Wat betekent dit voor uw organisatie?

De invoer van de btw-vrijstelling Passend Onderwijs tot 1 augustus 2016 achten wij een positieve ontwikkeling. Wij adviseren de samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs en de daarin deelnemende scholen te beoordelen of bepaalde werkzaamheden die over een weer worden verricht een uitvloeisel zijn van het ondersteuningsplan. Indien dit het geval is, geldt de btw-vrijstelling.

Indien tussen het samenwerkingsverband en de scholen andere vormen van werkzaamheden en dienstverlening plaatsvinden, dan raden wij aan te (laten) beoordelen of een beroep kan worden gedaan op andere btw-vrijstellingen, bijvoorbeeld de btw-vrijstelling voor onderwijs.

Mogelijke btw-heffing bij het afnemen van examens

Rechtbank Gelderland heeft eind oktober 2014 geoordeeld dat het enkel afnemen van examens niet valt onder de onderwijsvrijstelling uit de btw-richtlijn. Zodoende wordt dergelijke examinering aangemerkt als een btw-belaste prestatie.

Uit het arrest Horizon College uit 2008 volgt namelijk dat het enkel afnemen van examen niet valt onder het verstrekken van onderwijs. Doorslaggevend argument is dat bij het geven van onderwijs sprake is van overdracht van kennis en/of vaardigheden, terwijl bij het examineren van deze kennis en/of vaardigheden slechts toetsing van deze kennis behelst. Het feit dat de examinerende instelling staat geregistreerd in het CRKBO (Centraal Register Kort Beroepsonderwijs) heeft de rechtbank niet van belang geacht. 

Als het afnemen van het examen ter afsluiting van vrijgesteld onderwijs dient, dan zal de examinering wel onder de btw-vrijstelling voor onderwijs vallen.

Mocht u vragen hebben naar aanleiding van bovenstaande onderwerpen of fiscale vraagstukken, neem dan contact op met ondergetekende of met uw contactpersoon binnen Govers Onderwijs Accountants.

Ralph Rijnders

Ralph Rijnders

Wilt u reageren of meer informatie?